ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WW-uitkering en dienstbetrekking bij zorgverlening aan zoon
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de duur van zijn WW-uitkering, die het UWV heeft vastgesteld op drie maanden. Hij voerde aan dat hij in 2007 als zorgverlener voor zijn zoon loonbelasting en premies heeft betaald en dat er een arbeidsovereenkomst zou zijn. De rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, maar bevestigde het standpunt van het UWV dat er geen sprake was van een dienstbetrekking.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking een gezagsverhouding vereist is, die in dit geval ontbrak. Hoewel appellant zorg verleende en een verklaring overlegd waarin een arbeidsovereenkomst werd genoemd, was er feitelijk geen gezagsverhouding tussen zoon en ouder. Daarom was appellant niet verzekerd voor de WW in 2007.
Hierdoor voldeed appellant niet aan de vereiste vier-uit-vijf-eis voor verlenging van de uitkeringsduur. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Appellant wordt niet als werknemer erkend voor 2007, waardoor verlenging van de WW-uitkering wordt afgewezen.