ECLI:NL:CRVB:2013:BY9894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV inzake terugvordering Ziektewet-uitkering wegens schending hoorplicht
Appellant ontving een Ziektewet-uitkering die het UWV later geheel terugvorderde wegens vermeende werknemersfraude, omdat appellant geen mededelingen deed over zijn werkzaamheden en inkomsten. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende onderzoek had verricht en dat appellant afstand had gedaan van zijn recht op een hoorzitting.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld over de kennis van het UWV, dat hij niet ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn hoorrecht, en dat het UWV geen schatting had gemaakt van zijn inkomsten. De Raad oordeelde dat appellant niet uitdrukkelijk afstand had gedaan van zijn hoorrecht, waardoor het besluit wegens schending van de hoorplicht vernietigd moest worden.
Desondanks liet de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat appellant geen nieuwe feiten had ingebracht en de gronden van het UWV overtuigend waren. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van de Ziektewet-uitkering wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.