ECLI:NL:CRVB:2013:BY9876
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie
Appellant was sinds 1993 werkzaam als servicemonteur en viel in maart 2010 uit met griep- en spanningsklachten. De werkgever vroeg in januari 2011 een ontslagvergunning aan wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie, welke in april 2011 werd verleend. Appellant werd per augustus 2011 ontslagen en vroeg een Ziektewetuitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat appellant zijn recht op loondoorbetaling had prijsgegeven en onnodig een beroep deed op de ZW-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, stellende dat appellant geschikt was voor licht aangepast werk en dat het plan van aanpak met een gefaseerde werkhervatting voldoende rekening hield met zijn medische situatie. Er was geen sprake van ongeoorloofde druk van de werkgever en appellant had zich niet aan het plan gehouden zonder medische onderbouwing.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij te ziek was om te werken conform het opbouwschema en dat er sprake was van verminderde verwijtbaarheid. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe medische informatie had overgelegd die tot een ander oordeel zou leiden. Het deskundigenoordeel bevestigde dat appellant niet zijn eigen werk volledig kon verrichten, maar wel aangepast werk kon doen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie.