ECLI:NL:CRVB:2013:BY9846

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6775 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering heropening WGA-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft zich in 2005 ziek gemeld vanwege lichamelijke klachten, later aangevuld met psychische klachten. Haar WGA-uitkering werd per 1 januari 2009 beëindigd omdat zij toen minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en beroep werd deze beëindiging door de rechtbank en de Raad bevestigd.

In 2010 verzocht appellante het UWV de WGA-uitkering te heropenen wegens vermeende toename van haar beperkingen. Het UWV stelde na onderzoek vast dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid en wees het verzoek af. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De medische rapportages van verzekeringsartsen en een orthopedisch chirurg tonen aan dat er geen nieuwe of zwaardere beperkingen zijn vastgesteld. Klachten van appellante, waaronder een nekhernia, zijn reeds in eerdere beoordelingen meegenomen. Er is geen reden om het standpunt van het UWV te herzien.

De Raad oordeelt dat de rechtbank de gronden van appellante afdoende heeft besproken en gemotiveerd waarom haar verzoek niet slaagt. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M.C. Bruning op 18 januari 2013.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering heropening WGA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

11/6775 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 oktober 2011, 10/3694 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 18 januari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.W.G.J. de Haas hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
Na de sluiting van het onderzoek is appellante verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het onderzoek ter zitting is heropend en appellante is, in aanwezigheid van de gemachtigde van het Uwv, in de gelegenheid gesteld de aanleiding tot het hoger beroep nader te motiveren.
OVERWEGINGEN
1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Appellante heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet op 16 juni 2005 ziek gemeld in verband met lichamelijke klachten. Daarna hebben zich ook psychische klachten ontwikkeld. Het Uwv heeft de aan appellante sinds 14 juni 2007 toegekende WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA) beëindigd met ingang van 1 januari 2009, omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de bij beslissing op bezwaar van 29 januari 2009 gehandhaafde beëindiging, bij haar uitspraak van 2 augustus 2010 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van
27 januari 2012 die uitspraak bevestigd (LJN: BV2056).
1.3. Met een brief van 28 maart 2010 heeft appellante zich tot het Uwv gewend en daarin te kennen gegeven dat zij in verband met arm-, schouder-, nek- en hoofdpijnklachten met ingang van 29 maart 2010 niet in staat is om te werken. Het Uwv heeft vervolgens onderzocht of op en na 29 maart 2010 sprake is geweest van toename van beperkingen die eerder ten grondslag lagen aan appellantes recht op een WGA-uitkering. Volgens het Uwv is dit niet het geval en bij besluit van 12 mei 2010 heeft het Uwv daarom vastgesteld dat per 29 maart 2010 de WGA-uitkering niet kan herleven.
1.4. Bij beslissing op bezwaar van 18 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 mei 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv appellante terecht en op juiste gronden op en na 29 maart 2010 niet toegenomen arbeidsongeschikt heeft geacht ten opzichte van 1 januari 2009 en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts naar aanleiding van dossierstudie, eigen onderzoek en bestudering van overgelegde medische informatie heeft geconcludeerd dat er op en na de datum in geding geen toename is van de beperkingen van appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven en daaraan toegevoegd dat het feit dat eiseres wellicht meer klachten ervaart niet leidt tot de conclusie dat er ook meer beperkingen aangenomen moeten worden. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts toegevoegd dat gebleken is dat de bulging disc die voorheen net niet de zenuw beklemde, dat nu net wel doet. Volgens de bezwaarverzekeringsarts zou gesproken kunnen worden van een HNP C5-C6 (nekhernia). De door appellante geuite klachten zijn niet erg specifiek passend bij een beknelling van de zenuw op niveau L5-6. Met de HNP is reeds rekening gehouden bij het vaststellen van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De vastgestelde beperkingen hoeven volgens de bezwaarverzekeringsarts niet verder aangescherpt te worden. De rechtbank volgt de bezwaarverzekeringsarts voorts in zijn conclusie dat het expertiserapport van de orthopedisch chirurg R.J.J. Devilee van 1 juli 2011 de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de voor appellante geldende beperkingen juist onderschrijft. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het door appellante ingebrachte expertiserapport niet dat de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen zijn onderschat.
3. Appellante heeft in hoger beroep haar in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt herhaald dat bij het vaststellen van haar belastbaarheid onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Opnieuw is naar voren gebracht dat met name onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen als gevolg van de HNP.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De rechtbank heeft de eerder aangevoerde gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen naar voren komt dat er geen reden is voor het aannemen van meer beperkingen per 29 maart 2010. Voor nadere onderbouwing van dit oordeel kan worden verwezen naar het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts zoals dat blijkt uit zijn commentaar van 20 december 2011. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierin geconstateerd dat in hoger beroep geen nieuwe argumenten naar voren zijn gebracht op basis waarvan het standpunt van het Uwv bijgesteld zou moeten worden.
4.2. Geconcludeerd kan worden dat afdoende is gemotiveerd dat niet is gebleken dat de beperkingen van appellante zijn toegenomen ten opzichte van de beëindiging van de WGA-uitkering in januari 2009.
4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2013.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) G.J. van Gendt
KR