ECLI:NL:CRVB:2013:BY9648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering partnertoeslag bij gezamenlijke huishouding met kleinzoon
Appellant ontving een AOW-pensioen dat na het overlijden van zijn echtgenote werd aangepast naar een alleenstaande uitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat appellant met zijn kleinzoon een gezamenlijke huishouding voerde en kende daarom een partnertoeslag toe. Na onderzoek bleek het inkomen van de kleinzoon veranderd, waarop de Svb het recht op toeslag herzag en toeslagbedragen terugvorderde.
Appellant voerde aan dat hij en zijn kleinzoon geen gezamenlijke huishouding voerden en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd. Ook stelde hij dat het bezwaar mede betrekking had op de terugvordering en dat bijzondere omstandigheden matiging rechtvaardigden. De rechtbank wees het beroep af, maar de Raad stelde vast dat de Svb ten onrechte niet op het bezwaar tegen de terugvordering had beslist.
De Raad bevestigde dat de gezamenlijke huishouding bestond en dat de Svb terecht het recht op toeslag had herzien vanwege het niet verstrekken van inkomensgegevens. De Raad droeg de Svb op binnen zes weken het gebrek in het besluit te herstellen door alsnog te beslissen op het bezwaar tegen de terugvordering, waarmee een finale geschilbeslechting wordt beoogd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de herziening en terugvordering van de toeslag en beveelt herstel van het besluit omtrent het bezwaar tegen terugvordering.