ECLI:NL:CRVB:2013:BY9397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- K.J. Kraan
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim en ontucht met minderjarige schoonzus
Appellant was werkzaam als penitentiair inrichtingswerker bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. Hij werd geschorst en vervolgens ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim, waaronder het plegen van ontucht met zijn toenmalige minderjarige schoonzus en het niet melden van deze strafbare feiten bij indiensttreding.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het ontslagbesluit ongegrond. Appellant voerde aan dat het seksuele contact pas later plaatsvond en dat het ontslag niet evenredig was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestuursrecht niet gebonden is aan de strikte bewijsregels van het strafrecht, maar dat op basis van de beschikbare gegevens overtuigend vaststond dat appellant zich schuldig had gemaakt aan ontucht en plichtsverzuim.
De Raad vond de ontkenning van appellant niet geloofwaardig en benadrukte dat integer gedrag vereist is, zeker binnen de DJI. Het niet melden van de strafbare feiten vormde een ernstig plichtsverzuim dat ontslag rechtvaardigt. Ondanks goed functioneren na indiensttreding blijft het ontslag proportioneel vanwege het veiligheidsrisico en het verlies van geloofwaardigheid. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim en ontucht met zijn minderjarige schoonzus wordt bevestigd.