ECLI:NL:CRVB:2013:BY9318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding en wettelijke rente na intrekking hoger beroep tegen UWV-beslissing
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV betreffende een gedeeltelijke afwijzing van een aanvraag. Het UWV kwam geheel aan de bezwaren tegemoet met een nieuwe beslissing op bezwaar van 13 augustus 2012. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.
De Raad oordeelde dat de wettelijke rente moet worden berekend vanaf het moment dat verzuim intreedt, namelijk zes weken na het verstrijken van de beslistermijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag op 29 augustus 2011. De rente wordt berekend over het bruto-bedrag van de alsnog te betalen uitkering en loopt tot de dag van volledige voldoening.
De Raad wees de vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten toe, begroot op € 472,-, en wees de overige proceskosten in bezwaar af wegens gebrek aan bewijs. De uitspraak is gedaan op basis van artikel 8:73a en 8:75a van de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet. Het griffierecht kan appellante rechtstreeks bij het UWV verhalen.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten van € 472,- aan appellante.