ECLI:NL:CRVB:2013:BY9261

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3758 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WuvArt. 61 Wuv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op gelijkstelling als vervolgingsslachtoffer wegens onvoldoende verband psychische klachten

Appellant, geboren in 1954, is de zoon van een erkend vervolgingsslachtoffer en verzocht om gelijkstelling als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder wees dit verzoek in 1992 af omdat de psychische klachten van appellant niet in overwegende mate verband hielden met de vervolging van zijn moeder. In 2010 vroeg appellant herziening van dit besluit, onderbouwd met een psychiatrisch rapport dat een persoonlijkheidsstoornis beschreef, maar geen verband met vervolging.

De Raad oordeelde dat het eerdere besluit geen aperte, verweerder verwijtbare fout bevatte. Geneeskundig adviseurs bevestigden dat de schizofrenie bij appellant niet in overwegende mate verband hield met de vervolging van zijn ouders. Het medisch onderzoek door adviseurs was gebaseerd op uitgebreide medische gegevens, en het ontbreken van eigen onderzoek door adviseur Wijnvoord werd niet als fout beoordeeld.

De Raad wees ook het argument af dat onvoldoende medische gegevens van de moeder waren meegewogen, omdat een interne notitie met medische informatie aanwezig was en privacyregels de vermelding van medische gegevens van derden beperken. De Raad bevestigde dat de wetswijziging van 1994 de gelijkstelling op basis van tweede-generatieproblematiek uitsluit, en dat alleen bij een aperte fout herziening mogelijk is.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Beuker-Tilstra en leden Kooper en Stevens op 10 januari 2013.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de psychische klachten van appellant niet in overwegende mate verband houden met de vervolging van zijn moeder.

Uitspraak

11/3758 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[A. te B.]
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
Datum uitspraak 10 januari 2013.
PROCESVERLOOP
In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de
- voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 mei 2011, kenmerk BZ01271827 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Unger, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is geboren in 1954 en zijn moeder is erkend als vervolgingsslachtoffer in de zin van de Wuv. Bij besluit van 25 september 1992 heeft verweerder geweigerd appellant met een vervolgde gelijk te stellen, op de grond dat zijn psychische klachten niet in overwegende mate verband houden met de vervolging en de daardoor ontstane klachten van zijn moeder. Dit standpunt was gebaseerd op het advies van geneeskundig adviseur E.C. Wijnvoord, arts, van 15 september 1992. Deze arts was van mening dat bij appellant sprake was van schizofrenie, maar dat deze duidelijk uit andere oorzaken was ontstaan.
1.2. In juli 2010 heeft appellant verweerder verzocht om het besluit van 25 september 1992 te herzien. Daarbij heeft hij een rapport overgelegd van de psychiater M. van Berkel van 12 april 2010, waarin onder meer is vermeld dat ten tijde van het verrichte psychiatrisch onderzoek sprake was van een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline, narcistische, theatrale, obsessief-compulsieve en afhankelijke trekken. Verweerder heeft het verzoek van appellant bij besluit van 1 november 2010 afgewezen. Het bezwaar daartegen heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat in het kader van het besluit van 25 september 1992 geen aperte, verweerder verwijtbare fout is gemaakt die aanleiding zou moeten vormen om dit besluit te herzien. Dit standpunt is gebaseerd op een advies van geneeskundig adviseur R.J. Roelofs, arts, van 20 september 2010 en op de adviezen van geneeskundig adviseur A.J. Maas, arts, van 6 april 2011 en 29 april 2011.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad als volgt.
2.1. Met ingang van 15 juli 1994 is artikel 3, tweede lid, van de Wuv in die zin gewijzigd dat gelijkstelling met de vervolgde uitsluitend op grond van zogenoemde tweede-generatieproblematiek niet meer mogelijk is.
2.2. Deze wetswijziging staat er niet aan in de weg dat verweerder aanvragen van na de oorlog geborenen, die op of na 15 juli 1994 worden ingediend en ertoe strekken voordien genomen besluiten tot afwijzing van een verzoek om gelijkstelling te herzien, in behandeling neemt en op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv beoordeelt. Verweerder heeft ten aanzien van dergelijke verzoeken een vaste gedragslijn ontwikkeld die inhoudt dat, gegeven de sluiting van de Wuv voor de tweede generatie, alleen dan aanleiding bestaat om tot herziening over te gaan als bij het besluit waarvan herziening wordt verzocht, een aperte, verweerder verwijtbare fout is gemaakt. De Raad heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat dit beleid het gegeven wettelijk kader niet te buiten gaat noch onredelijk is (CRvB 7 juli 2011, LJN BR1378).
2.3. Appellant heeft in de eerste plaats naar voren gebracht dat verweerder destijds in strijd heeft gehandeld met de rechtspraak van de Raad (CRvB 13 december 2001, LJN AE1232) die inhoudt dat bij beoordelingen als de onderhavige de op verzoek van verweerder onderzoekend arts moet beschikken over de medische gegevens met betrekking tot de vervolgde ouder(s), voor zover die bij (de medische dienst van) verweerder bekend kunnen zijn zonder in strijd te komen met algemeen aanvaarde regels van medische ethiek. Volgens appellant is in dit opzicht sprake geweest van een aperte, verwijtbare fout, nu in het dossier met betrekking tot de moeder van appellant alleen een ongedateerde interne notitie aanwezig is die slechts summiere medische informatie bevat.
2.4. De Raad is met verweerder van oordeel dat op dit punt geen sprake is geweest van een aperte, verweerder verwijtbare fout. In de bovengenoemde adviezen van geneeskundig adviseurs Roelofs en Maas is uiteengezet dat om redenen van privacy in een medisch advies geen medische informatie van derden wordt vermeld en dat, gezien de aanwezigheid van de interne notitie, die een uittreksel bevat van het medisch dossier van de moeder van appellant, haar medische gegevens wel zijn meegewogen. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding om de juistheid van dit standpunt in twijfel te trekken.
2.5. Verder heeft appellant aangevoerd dat geneeskundig adviseur Wijnvoord geen eigen medisch onderzoek heeft verricht en heeft volstaan met kennisname van medische informatie afkomstig uit onder meer de behandelende sector. De Raad volgt verweerder in het standpunt dat dit in dit geval geen aperte, verweerder verwijtbare fout oplevert. Wijnvoord had de beschikking over uitgebreide medische informatie uit de behandelende sector en van diverse psychiaters die appellant hebben onderzocht. Deze informatie wees er nagenoeg eenduidig op dat bij appellant sprake was van schizofrenie. Geneeskundig adviseurs Roelofs en Maas hebben in dit verband uiteengezet dat deze destijds bij appellant vastgestelde psychiatrische aandoening niet in overwegende mate in verband kon staan met de vervolging van de ouders van appellant, zodat een medisch onderzoek door de geneeskundig adviseur niet geïndiceerd was. De Raad ziet - anders dan de gemachtigde van appellant - verder in de destijds beschikbare medische gegevens geen duidelijke aanwijzingen voor het daarnáást bestaan van andersoortige psychische klachten, ook niet in de met name genoemde brief van behandelend psychotherapeut drs. B.C. Filet van 29 mei 1992. Geneeskundig adviseurs Roelofs en Maas hebben er met goede reden op gewezen dat de door Wijnvoord gegeven interpretatie van de brief van 29 mei 1992 - dat alle belangrijke symptomen passen bij schizofrenie - het meest voor de hand lag. Daarbij is mede van belang dat de thans door Filet centraal gestelde
tweede-generatie problematiek volgens de brief van 29 mei 1992 (slechts) in de achtergrond een rol speelde.
2.6. Het onder 1.2 vermelde rapport van de psychiater M. van Berkel kan evenmin tot de conclusie leiden dat sprake is geweest van een aperte, verweerder verwijtbare fout. Zoals geneeskundig adviseurs Roelofs en Maas hebben aangegeven, betekent het feit dat Van Berkel ten tijde van haar onderzoek in maart en april 2010 geen schizofrenie heeft kunnen vaststellen op zichzelf niet dat daarvan in 1992 geen sprake was. Daarbij is van belang dat in het rapport van Van Berkel onder meer is vermeld: “Het is goed mogelijk dat er destijds wel sprake (was) van de diagnose schizofrenie maar dat de symptomen in remissie zijn”.
2.7. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2013.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) V.C. Hartkamp
HD