ECLI:NL:CRVB:2013:BY8180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-1078 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.14 Wsf 2000Wet studiefinanciering 2000Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing studiefinanciering voor buitenlandse HBO-masteropleiding

Appellant heeft studiefinanciering aangevraagd voor een studie Marketing and Management aan de Loughborough University in Groot-Brittannië. De Minister van Onderwijs heeft dit afgewezen en studiefinanciering slechts als lening toegekend, omdat de opleiding niet voldoet aan de criteria van wetenschappelijk onderwijs zoals bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

De Minister baseerde zijn besluit op een advies van de Nuffic, die de opleiding beoordeelde als een postinitiële HBO-masteropleiding zonder recht op studiefinanciering. Appellant voerde aan dat de Nuffic onjuiste en onvolledige informatie gebruikte en overhandigde een brief van de universiteit ter onderbouwing van selectie, zelfstandige research en dissertatie.

De Raad oordeelt dat het advies van de Nuffic een voldoende grondslag biedt voor het oordeel van de Minister. De opleiding is toepassingsgericht en wijkt wezenlijk af van Nederlandse WO-masteropleidingen, onder meer door minder strenge toelatingseisen en het ontbreken van een dissertatie. De brief van de universiteit overtuigt niet tot een ander oordeel.

Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van studiefinanciering als lening bevestigd.

Uitspraak

12/1078 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 januari 2012, 11/651 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak: 11 januari 2013
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en de Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2012.
Appellant is verschenen, vergezeld van zijn moeder. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 19 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft de Minister, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 27 januari 2011 om appellant vanaf oktober 2010 enkel studiefinanciering in de vorm van een lening toe te kennen voor de studie Marketing and Management, aan de Loughborough University te Groot-Brittannië, omdat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.14, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De Minister heeft zich hierbij gebaseerd op het desgevraagd verkregen advies van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic). Dit advies houdt in dat de opleiding Marketing and Management een postinitiële masteropleiding is, waarvoor geen recht op studiefinanciering bestaat.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant handhaaft in hoger beroep het standpunt dat voldaan is aan artikel 2.14, tweede lid, van de Wsf 2000. Daartoe is onder meer naar voren gebracht dat de Nuffic onjuiste en onvolledige informatie gebruikt. Er is volgens appellant wel sprake van selectie bij de toelating, het uitvoeren van zelfstandige research en er moet een dissertatie worden geschreven. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een brief van 7 september 2011 van de Loughborough University overgelegd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000 kan een student voor studiefinanciering in aanmerking komen indien hij is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland, voor zover in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt, het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW.
Ingevolge artikel 2.14, derde lid, van de Wsf 2000 stelt de Minister vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. De Memorie van Toelichting bij artikel 2.14 van de Wsf 2000 (30 933, nr. 3 pag. 7-8 en 25) vermeldt dat de Minister daarbij gebruik zal maken van het oordeel van de Nuffic.
4.2. De Minister heeft, conform de bedoeling van de wetgever, de Nuffic om advies gevraagd ter beantwoording van de vraag of de opleiding in Groot-Brittannië waarvoor appellant studiefinanciering heeft aangevraagd, voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000.
4.3. De Nuffic heeft Algemene waarderingscriteria opgesteld aan de hand waarvan getoetst wordt of een buitenlandse opleiding recht geeft op studiefinanciering. Ingevolge deze criteria wordt in eerste instantie bekeken of de buitenlandse opleiding officieel erkend is in het desbetreffende land, de zogenoemde eis van accreditatie. Is daarvan sprake, dan wordt vervolgens aan de hand van nader omschreven kenmerken bepaald of een buitenlandse opleiding op één lijn is te stellen met Nederlands WO of HBO.
4.4. De Nuffic heeft in haar advies aan de Minister vastgesteld dat in het onderhavige geval sprake is van een HBO-masteropleiding waarvoor geen studiefinanciering beschikbaar is omdat voor vergelijkbare HBO-masteropleidingen in Nederland ook geen studiefinanciering wordt verleend. De opleiding is toepassingsgericht. Vakinhoudelijk volgt de student vakken die in Nederland in het HBO worden gegeven. Vergeleken met de Nederlandse WO-masteropleidingen Marketing en Management aan de universiteiten Tilburg en Amsterdam is er een verschil in onder meer toelatingseisen en het schrijven van een dissertatie.
4.5. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het advies van de Nuffic voldoende grondslag biedt voor het oordeel van de Minister dat de opleiding Marketing and Management aan de Loughborough University, niet voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. De Nuffic wordt gevolgd in het standpunt dat deze opleiding niet het niveau van wetenschappelijk onderwijs heeft. De Nuffic heeft de opleiding vergeleken met zowel de WO-master aan de Universiteit van Tilburg als aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en wezenlijke verschillen geconstateerd. De informatie op de website van de Loughborough University leidt eveneens tot de conclusie dat sprake is van wezenlijke verschillen. De brief van 7 september 2011 van de Loughborough University is onvoldoende om tot een andere conclusie te leiden.
4.6. Het hoger beroep slaagt niet.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) J.R. Baas