Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van € 944,--;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 447,-- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkenen ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en waren onderworpen aan een schuldsaneringsregeling. De Belastingdienst kende een belastingteruggave toe over het jaar 2007, die appellant als inkomsten aanmerkte en wilde verrekenen met de bijstand over juni, juli en augustus 2008.
De rechtbank stelde echter vast dat de belastingteruggave viel binnen de boedel van de schuldsanering en dat appellant niet bevoegd was deze te verrekenen met de lopende bijstand. Appellant stelde in hoger beroep dat de teruggave de bijstand verving en dat verrekening op grond van artikel 58, derde lid, WWB gerechtvaardigd was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de belastingteruggave niet als inkomen of periodieke uitkering kon worden aangemerkt omdat deze betrekking had op een periode vóór de schuldsanering en dat betrokkenen niet over deze middelen beschikten. Hierdoor was verrekening met de lopende bijstand niet toegestaan. Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkenen. De Raad benadrukte de samenhang tussen de Faillissementswet en de WWB en de bescherming van de boedel in de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de belastingteruggave niet mag worden verrekend met de lopende bijstandsuitkering.