ECLI:NL:CRVB:2013:929
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid per 1 februari 2011
Appellant had aanvankelijk een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%, die in mei 2008 werd herzien naar 25-35%. Vanaf die datum kreeg hij een WW-uitkering. Op 1 september 2009 meldde appellant zich ziek en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend. Een verzekeringsarts stelde op 27 januari 2011 vast dat appellant medisch gezien in een stabiele toestand verkeerde zonder objectieve belemmeringen om te werken.
Het UWV besloot per 27 januari 2011 de Ziektewetuitkering te beëindigen, wat bij bezwaar werd bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en appellant in staat was passende arbeid te verrichten.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische klachten en slaapapneu onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde dat deze gronden herhalingen waren van eerdere bezwaren en dat de medische informatie voldoende rekening hield met zijn beperkingen. Er was geen nieuwe medische informatie die een ander oordeel rechtvaardigde.
De Raad sloot aan bij de overwegingen van de rechtbank en bevestigde dat appellant vanaf 1 februari 2011 geen recht meer had op een Ziektewetuitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 1 februari 2011 geen recht meer had op een Ziektewetuitkering.