Uitspraak
OVERWEGINGEN
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of;
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt bijstand volgens de WWB en werd door het college onderzocht vanwege niet gemelde werkzaamheden in 2010 en 2011. Het college vroeg om loonspecificaties, maar appellant verstrekte onvolledige en onjuiste informatie. Het college schortte daarom de bijstand op vanaf 2 september 2011.
Appellant maakte bezwaar tegen deze opschorting en vroeg vergoeding van de kosten die hij redelijkerwijs had gemaakt voor de bezwaarprocedure. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de bijstand vanaf 4 oktober 2011 werd voortgezet.
De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen, en oordeelde dat het college geen onrechtmatig besluit had genomen en appellant geen recht had op vergoeding. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, overwegende dat het college terecht de bijstand opschortte op grond van artikel 54 WWB Pro en dat de wet geen verplichting tot hersteltermijn bevat. De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht de bijstand opschortte en appellant geen recht heeft op vergoeding van kosten voor de bezwaarprocedure.