Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:725

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juni 2013
Publicatiedatum
27 juni 2013
Zaaknummer
11-4023 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 21 BeroepswetArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na nieuw besluit college en toewijzing proceskosten

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Na een tussenuitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin het college werd opgedragen het besluit te herstellen, nam het college een nieuw besluit dat niet volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant.

Mede gelet op de tussenuitspraak besloot appellant het hoger beroep in te trekken en verzocht om vergoeding van de kosten die hij had gemaakt in bezwaar, beroep en hoger beroep. Het college heeft geen verweerschrift ingediend en het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten.

De Raad overwoog dat het bestuursorgaan op verzoek van de indiener van het beroepschrift bij intrekking van het beroep wegens gedeeltelijke tegemoetkoming in de bezwaren kan worden veroordeeld in de kosten. Omdat het college niet betwistte dat aan appellant was tegemoetgekomen, werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, begroot op in totaal €1.888.

Een vergoeding van kosten in bezwaar werd afgewezen omdat appellant niet tijdig een daartoe strekkend verzoek had gedaan. De uitspraak werd gedaan door rechter J.J.A. Kooijman, in aanwezigheid van griffier P.A.M. Hulsdouw, op 25 juni 2013.

Uitkomst: College wordt veroordeeld tot betaling van €1.888 aan proceskosten na intrekking hoger beroep door appellant.

Uitspraak

11/4023 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2011, 11/873 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 18 december 2012 heeft mr. T.A. van Meer, advocaat, zich als gemachtigde gesteld van appellant.
De Raad heeft op 29 januari 2013 een tussenuitspraak gedaan waarin aan het college is opgedragen om binnen zes weken het gebrek in het besluit van 18 januari 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Het college heeft op 14 februari 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 26 maart 2013 heeft mr.T.A. van Meer namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat mr. Van Meer namens appellant het hoger beroep heeft ingetrokken. Hoewel het besluit van 14 februari 2013 niet volledig tegemoet komt aan de bezwaren van appellant, heeft appellant, mede gelet op de tussenuitspraak besloten te berusten in de nieuwe beslissing. Namens appellant wordt verzocht een beslissing te nemen over vergoeding van de door hem gemaakte kosten in bezwaar en proceskosten.
Nu het college niet heeft betwist dat aldus aan appellant is tegemoetgekomen, bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 944,-- in beroep en € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.888,--.Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten bestaat geen grond omdat niet gebleken is dat appellante tijdig een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, zoals bepaald in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.888,--.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2013.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) P.A.M. Hulsdouw

RH