ECLI:NL:CRVB:2013:2884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende verlies verdiencapaciteit
Appellant, een voormalig zelfstandig kapper, viel uit wegens knie-, voet- en handklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Na medisch en arbeidskundig onderzoek concludeerde het UWV dat appellant niet geschikt is voor zijn maatgevende werk, maar wel geschikt voor andere functies met een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35%. Hierdoor werd zijn aanvraag afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische beoordeling zorgvuldig was en de arbeidskundige onderbouwing voldoende was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvolledig was, de geselecteerde functies niet passend waren en de berekening van het maatmaninkomen onjuist was.
De Raad oordeelt dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die afwijken van eerdere bezwaren en onderschrijft de eerdere motivering. De medische beperkingen zijn adequaat vastgesteld en de geselecteerde functies passend. Ook de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit is correct uitgevoerd.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% verlies aan verdiencapaciteit.