ECLI:NL:CRVB:2013:2764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en weigering terugwerkende bijstand
Appellant ontving vanaf augustus 2010 bijstand, maar het college trok deze in vanwege het verzwegen zijn van procuratierechten op ondernemersrekeningen van een supermarkt. Het college stelde dat appellant zijn financiële situatie niet inzichtelijk had gemaakt, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Appellant voerde aan dat hij de inlichtingenverplichting niet had geschonden omdat het college op de hoogte was van zijn betrokkenheid bij de supermarkt en dat hij schulden had opgegeven. De Raad oordeelde dat appellant niet had voldaan aan zijn verplichting om de ondernemersrekeningen te melden, ondanks dat hij de enige procuratiehouder was. Hierdoor was de financiële situatie ondoorzichtig.
Verder werd het bezwaar tegen de ingangsdatum van de bijstand afgewezen omdat appellant geen bijzondere omstandigheden aannemelijk had gemaakt voor terugwerkende bijstand. Ook het beroep op een ander verblijfadres werd verworpen omdat appellant een verblijfadres had opgegeven.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en wees de verzoeken om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wordt bevestigd en het hoger beroep tegen weigering terugwerkende bijstand wordt afgewezen.