Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank Amsterdam die zijn beroep tegen een AOW-korting ongegrond verklaarde en de Sociale verzekeringsbank (Svb) niet veroordeelde tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten. Tijdens het hoger beroep trok appellant het beroep in voor zover het de korting op zijn AOW-pensioen betrof.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het griffierecht dat appellant betaalde voor het eerste besluit ook gold voor het tweede, gewijzigde besluit. De Raad stelde dat dit niet zonder meer kan worden aangenomen omdat het beroep was ingesteld tegen een reëel besluit en niet slechts ter aansporing van het bestuursorgaan. Hierdoor was de uitspraak van de rechtbank strijdig met de Awb en diende die vernietigd te worden voor zover het griffierecht betreft.
Verder vond de Raad dat de rechtbank terecht geen proceskostenvergoeding had toegekend omdat appellant die niet had gevorderd en er geen ambtshalve vergoeding mogelijk was. De Raad veroordeelde de Svb echter alsnog tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op € 35,26. Hiermee werd het geschil over de vergoeding van griffierecht en proceskosten beslecht.