ECLI:NL:CRVB:2013:2556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens onjuiste toetsing gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en het college trok deze bijstand in over de periode 1 april 2007 tot en met 31 maart 2011, omdat zij en haar ex-echtgenoot V een gezamenlijke huishouding zouden voeren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat over de periode 1 april 2007 tot 3 juni 2009, toen appellante nog gehuwd was, het college een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door niet te toetsen op duurzaam gescheiden leven.
De Raad stelt vast dat duurzaam gescheiden leven inhoudt dat echtgenoten ieder hun eigen leven leiden en dat deze toestand door ten minste één van hen als bestendig wordt bedoeld. Uit verklaringen van appellante en V, observaties en onderzoek blijkt dat zij in die periode niet duurzaam gescheiden leefden. Over de periode na de echtscheiding (3 juni 2009 tot 31 maart 2011) is wel sprake van gezamenlijke huishouding, wat rechtvaardigt dat de bijstand wordt ingetrokken.
Appellante had bovendien haar inlichtingenverplichting geschonden door het college niet te informeren over haar woonsituatie, waardoor ten onrechte bijstand werd verleend. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het de periode betreft dat appellante nog gehuwd was, maar laat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd voor de periode dat appellante nog gehuwd was, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.