ECLI:NL:CRVB:2013:2552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand voor fitnesskosten wegens ontbreken medische noodzaak
Appellant, lijdend aan chronische rugpijn, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van fitness op medische gronden. Het college wees dit af omdat de kosten niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, WWB werden beschouwd. Een GGD-arts adviseerde weliswaar dat fitness de klachten kan verminderen, maar stelde dat fitness in een reguliere sportschool niet medisch noodzakelijk is en dat appellant ook op eigen gelegenheid kan sporten.
Appellant bracht aanvullend medische stukken in, waaronder adviezen van huisarts, revalidatiearts en orthopedisch chirurg, waarin het belang van fitness werd onderstreept. Desondanks concludeerde de Raad dat deze stukken onvoldoende aantonen dat fitness in een reguliere sportschool medisch noodzakelijk is, mede omdat appellant geen continue begeleiding nodig heeft.
De Raad volgde het college en de rechtbank in hun oordeel dat de gevraagde voorziening niet noodzakelijk is en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de weigering van bijzondere bijstand voor fitnesskosten wegens ontbreken van medische noodzaak.