ECLI:NL:CRVB:2013:2374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar gaf aan op meerdere adressen te verblijven. Het college stelde na onderzoek vast dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van H, waar hij ook zijn post ontving en de meeste persoonlijke bezittingen had.
Er was sprake van een gezamenlijke huishouding omdat appellant en H zorg voor elkaar droegen en er financiële verstrengeling bestond. Appellant leefde van het beperkte inkomen van H en verzorgde haar in het dagelijks leven. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet als zelfstandig bijstandsgerechtigde kon worden beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de feiten en omstandigheden voldoende waren om het standpunt van het college te ondersteunen. Het beroep werd verworpen en de afwijzing van de bijstandsuitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand werd afgewezen omdat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met wederzijdse zorg en financiële verstrengeling met H.