ECLI:NL:CRVB:2013:2369

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2013
Publicatiedatum
11 november 2013
Zaaknummer
13-1254 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet studiefinanciering 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek kwijtschelding studieschuld wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant heeft bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verzocht om kwijtschelding van zijn studieschuld, welke is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep met het verweer dat hij door ontoerekeningsvatbaarheid in een bijzondere situatie verkeert.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de Wet studiefinanciering 2000 alleen kwijtschelding toestaat bij het einde van de aflosfase of overlijden. De Minister hanteert een beleid op basis van een hardheidsclausule waarbij kwijtschelding ook kan worden verleend bij terminale ziekte, langdurige coma of uitzichtloze psychiatrische opname.

Appellant valt niet onder deze beleidscriteria en heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. De Raad bevestigt dat appellant gebruik kan maken van de wettelijke regeling waarbij op basis van draagkracht wordt bepaald of en hoeveel aflossing vereist is, hetgeen ook is toegepast.

Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van de studieschuld bevestigd.

Uitspraak

13/1254 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudig kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
22 januari 2013, 12/9854 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en de Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2013. Appellant is niet verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.
Bij besluit van 17 september 2012 (bestreden besluit) heeft de Minister gehandhaafd zijn besluit van 13 juli 2012, waarbij het verzoek van appellant om kwijtschelding van zijn studieschuld is afgewezen.
2.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij hem sprake is van een bijzondere situatie. Hij heeft zich beroepen op ontoerekeningsvatbaarheid.
4.1.
De Raad overweegt als volgt.
4.2.
De Wet studiefinanciering 2000 voorziet slechts in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur.
4.3.
De Minister voert met toepassing van de hardheidsclausule een beleid dat ook kwijtschelding wordt verleend indien:
- de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden;
- de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt;
- de debiteur een psychiatrische patiënt is die is opgenomen in een inrichting en de situatie
uitzichtloos is.
4.4.
Dit beleid is niet onredelijk. De Raad wijst op zijn uitspraken van 10 december 2004,
LJN AR8524, van 4 mei 2007, LJN BA5116 en van 10 december 2010, LJN BO7215.
4.5.
Niet in geschil is dat appellant niet verkeert in één van de in het beleid voorziene situaties. In zo’n geval rest de vraag of de omstandigheden waarin appellant verkeert zodanig bijzonder zijn dat afwijking van het beleid is aangewezen.
4.6.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat van zo’n situatie geen sprake is. De debiteur kan gebruik maken van de door de wetgever geregelde systematiek waarin jaarlijks aan de hand van de draagkracht van de debiteur wordt bezien of, en zo ja tot welk bedrag, aflossing dient plaats te vinden. Appellant maakt van die mogelijkheid ook gebruik. Onder meer over het jaar 2013 is bepaald dat appellant niets hoeft af te lossen.
5.
Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient mitsdien te worden bevestigd.
6.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) Z. Karekezi

EK