ECLI:NL:CRVB:2013:2355
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na niet-levensvatbare Bbz-uitkering
Verzoekster ontving bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) en haar aanvraag voor verlenging van de Bbz-uitkering werd op 11 februari 2010 afgewezen wegens niet-levensvatbaarheid van haar onderneming. Het college verleende haar vervolgens bijstand als beëindigende zelfstandige en stelde later het inkomen definitief vast, waarbij een deel van de bijstand als lening werd teruggevorderd.
Verzoekster vorderde vergoeding van schade wegens het vermeend onrechtmatige besluit van 11 februari 2010, maar het college wees dit af omdat tegen dat besluit geen rechtsmiddelen waren aangewend en het daarmee onaantastbaar was. De Raad oordeelde dat het latere besluit van 12 oktober 2011 geen erkenning van onrechtmatigheid inhield.
De voorzieningenrechter stelde vast dat nader onderzoek niet zou bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat geen beletselen waren om direct uitspraak te doen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat geen grond bestond voor spoedmaatregelen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de schadevergoeding bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding en voorlopige voorziening wordt afgewezen en de afwijzing van het college wordt bevestigd.