ECLI:NL:CRVB:2013:2345
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Weigering WUV-uitkering wegens ontbreken causaal verband met vervolging
Appellant, geboren in 1942 te Nederlands-Indië, diende in 2008 en opnieuw in 2011 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Hoewel hij erkend werd als vervolgde vanwege internering in Japanse kampen, werd de aanvraag afgewezen omdat de psychische klachten en hypertensie niet werden toegeschreven aan de vervolging, maar aan andere oorzaken zoals een poging tot kidnapping en traumatische ervaringen in internaten.
Na diverse medische onderzoeken door geneeskundig adviseurs van verweerder, waaronder artsen Loor, Roelofs en Loonstein, werd geconcludeerd dat er geen causaal verband bestaat tussen de internering en de huidige psychische klachten. De Raad achtte het besluit zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd, waarbij de medische adviezen als draagkrachtig werden beoordeeld.
Appellant voerde aan dat het onzorgvuldig was om hem opnieuw door dezelfde arts te laten onderzoeken en beriep zich op de omgekeerde bewijslast, maar deze argumenten werden verworpen. Ook een rapport in het kader van de Algemene Oorlogsongevallenregeling dat een ruimer toetsingskader hanteert, bevestigde grotendeels de conclusies van de geneeskundig adviseurs.
De Raad concludeerde dat de psychische problematiek eerder gerelateerd is aan andere traumatische gebeurtenissen dan aan de internering zelf. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van causaal verband.