Appellant had bijstand ontvangen over de periode 1998-1999, maar het college stelde op basis van onderzoek vast dat hij in die periode inkomsten had genoten die niet waren verrekend, en herzag het besluit tot bijstandverlening. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit besluit, waardoor het rechtsgeldig werd.
Later verzocht appellant het college terug te komen op het besluit, stellende dat sprake was van identiteitsfraude en dat hij in die periode in Groot-Brittannië verbleef. Het college wees dit verzoek af omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de aangifte identiteitsfraude weliswaar een nieuw feit is, maar niet leidt tot een ander besluit. Ook is geen onderzoeksplicht van het college ontstaan. Het beroep op het EVRM faalt omdat de situatie niet vergelijkbaar is met eerdere jurisprudentie.
De Raad concludeert dat het hoger beroep geen doel treft en bevestigt het bestreden besluit. Er worden geen proceskosten toegewezen.