Uitspraak
mr. M.J. van Steenwijk.
OVERWEGINGEN
25 maart 2013 gehandhaafd waarbij verzoeker met ingang van 26 februari 2013 blijvend geheel een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) is geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker was door zijn werkgever op staande voet ontslagen en kreeg daarom geen WW-uitkering toegekend wegens verwijtbare werkloosheid. Na bezwaar handhaafde het UWV dit besluit en wees de rechtbank het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af.
In hoger beroep verzocht verzoeker om een voorschot op de WW-uitkering vanwege een problematische financiële situatie, waaronder een huurachterstand en dreigende ontruiming van zijn woning. Hij bracht echter geen bewijsstukken in voor zijn financiële situatie en gaf geen inzicht in de omvang van zijn schulden.
Ter zitting verklaarde verzoeker dat hij inmiddels weer werkt, samenwoont met een partner met inkomen, en een schadevergoeding van zijn werkgever ontving. Hij had bewust geen bijstandsuitkering aangevraagd.
De Raad concludeerde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend financieel belang of een ander zwaarwegend belang dat onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een voorschot op de WW-uitkering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend financieel belang.