ECLI:NL:CRVB:2013:2287

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2013
Publicatiedatum
4 november 2013
Zaaknummer
13-2352 BESLU
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

Betrokkene stelde een verzoek tot schadevergoeding in wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure bij de Sociale Verzekeringsbank. De procedure duurde ruim vier jaar en twee maanden, wat de redelijke termijn overschreed zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.

De Staat erkende de overschrijding en stelde een vergoeding van €500 voor, berekend op basis van €500 per half jaar overschrijding. Betrokkene stemde in met dit voorstel. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de duur van de procedure niet gerechtvaardigd was en dat de overschrijding beperkt bleef tot ruim twee maanden.

De Raad wees een schadevergoeding van €500 toe en zag geen aanleiding voor een hogere vergoeding of proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter Venema op 30 oktober 2013.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

13/2352 BESLU
Datum uitspraak: 30 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)
PROCESVERLOOP
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
7 september 2010, 09/467, in het geding tussen betrokkene en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb).
Bij uitspraak van 15 mei 2013, LJN CA0853 heeft de Raad op dit hoger beroep beslist. Daarbij heeft de Raad onder andere bepaald dat het onderzoek onder het op het voorblad van deze uitspraak genoemde nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, bij brief van 18 juli 2013 een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij brief van
25 juli 2013 heeft betrokkene daarop gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.
In zijn uitspraak van 15 mei 2013 heeft de Raad vastgesteld dat vanaf de datum van de ontvangst door de Svb van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van de bedoelde uitspraak de procedure vier jaren en ruim twee maanden zijn verstreken. Voorts is vastgesteld dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden.
2.
Namens de Staat is - kort weergegeven - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is te kennen gegeven dat betrokkene een vergoeding van € 500,- toekomt, nu de redelijke termijn in de rechterlijke fase met ruim twee maanden is overschreden.
3.
Betrokkene kan zich vinden in de berekening van de Staat zoals blijkt uit zijn brief van
25 juli 2013.
3.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
3.2.
Zoals onder 1 is weergegeven heeft de Raad vastgesteld dat de behandeling vier jaren en ruim twee maanden heeft geduurd. De Raad ziet geen aanleiding een langere behandelingsduur dan vier jaar gerechtvaardigd te achten. De redelijke termijn is derhalve met ruim twee maanden overschreden. Dit leidt bij een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, tot een schadevergoeding van € 500,-. Voor toekenning van een hoger bedrag aan schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn aan betrokkene ziet de Raad geen aanleiding.
4.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) R.L. Rijnen

NW