ECLI:NL:CRVB:2013:2100

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 oktober 2013
Publicatiedatum
17 oktober 2013
Zaaknummer
11-5724 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WuvArt. 8:57 AwbArt. 6:19 AwbArt. 17 Beroepswet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit grondslag bepaling periodieke uitkering Wuv en vergoeding proceskosten

In deze zaak stond de juiste grondslagbepaling van een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) centraal. Bij een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat de ingangsdatum van de uitkering terecht op 1 februari 2010 was gesteld en dat appellant ten tijde van de verergering van zijn klachten nog afhankelijk was van inkomen uit arbeid.

De Raad oordeelde dat verweerder ten onrechte artikel 8, vijfde lid, van de Wuv had toegepast in plaats van artikel 8, tweede lid. Verweerder werd opgedragen dit te herstellen. Naar aanleiding daarvan nam verweerder op 24 juli 2013 een nieuwe beslissing die volledig tegemoet kwam aan de bezwaren van appellant.

De Centrale Raad van Beroep vernietigt het bestreden besluit van 23 augustus 2011 en stelt vast dat het nieuwe besluit van 24 juli 2013 niet ter beoordeling staat. Daarnaast veroordeelt de Raad verweerder in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit van 23 augustus 2011 wordt vernietigd en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

11/5724 WUV
Datum uitspraak: 17 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 2 mei 2013 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8769, gedaan (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder op 24 juli 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens appellant heeft mr. A.J. de Bie, advocaat, bij brieven van
12 augustus 2013 en 27 augustus 2013 zijn zienswijze gegeven op deze beslissing.
De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 17, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad verwijst naar de tussenuitspraak voor de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming.
2.
Bij de tussenuitspraak is geoordeeld dat de ingangsdatum van de aan appellant toegekende periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) terecht op 1 februari 2010 is gesteld. Verder is vastgesteld dat appellant ten tijde van de in dit geding relevante verergering van zijn causale klachten nog aangewezen was op inkomen uit arbeid in bedrijf of beroep. Geoordeeld is dat verweerder de grondslagbepaling daarom ten onrechte heeft uitgevoerd aan de hand van artikel 8, vijfde lid, van de Wuv in plaats van met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wuv. De Raad heeft verweerder opgedragen om dit gebrek te herstellen.
3.
Bij het besluit van 24 juli 2013 heeft verweerder de grondslag van de per 1 februari 2010 toegekende periodieke uitkering bepaald op € 3.125,06 per maand.
4.
Appellant heeft te kennen gegeven dat met het besluit van 24 juli 2013 volledig aan zijn bezwaren is tegemoet gekomen.
5.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit van 23 augustus 2011 moet worden vernietigd.
5.2.
Gezien overweging 4 moet worden vastgesteld dat met het besluit van 24 juli 2013 geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. Het geding strekt zich, gelet op
artikel 6:19, eerste lid van de Awb, dus niet mede uit tot dit nieuwe besluit.
6.
Er is aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 augustus 2011;
- bepaalt dat verweerder aan appellant het betaalde griffierecht in beroep van € 35,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 944,-.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2013.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) B. Rikhof

HD