ECLI:NL:CRVB:2013:2068

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 oktober 2013
Publicatiedatum
16 oktober 2013
Zaaknummer
11-3781 AAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering heropening AAW-uitkering na beëindiging in 1996

Appellante ontving sinds 1 oktober 1981 een AAW-uitkering, die zij op eigen verzoek beëindigde per 27 september 1996 vanwege een beoogd belang in de onderneming van haar vader, wat niet is gerealiseerd. In 2010 verzocht zij om heropening van deze uitkering met terugwerkende kracht, maar het UWV wees dit verzoek af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het verzoek neerkwam op terugkomen van het eerdere beëindigingsbesluit zonder nieuwe feiten of omstandigheden, zoals vereist op grond van artikel 4:6 Awb Pro.

Appellante stelde dat haar arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na beëindiging substantieel was toegenomen, maar dit was onvoldoende om heropening te rechtvaardigen. Ook werd overwogen dat de AAW per 1 januari 1998 was ingetrokken en appellante niet viel onder het overgangsrecht, noch na 1996 nog verzekerd was op grond van enige arbeidsongeschiktheidswet.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde het oordeel dat het hoger beroep geen doel treft. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 16 oktober 2013.

Uitkomst: De heropening van de AAW-uitkering per 27 september 1996 wordt geweigerd wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

11/3781 AAW
Datum uitspraak: 16 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 mei 2011, 11/1023 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te[woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.J. Reeser hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2013.
Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft vanaf 1 oktober 1981 een uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ontvangen, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Op verzoek van appellante is deze uitkering beëindigd per 27 september 1996.
1.2. Op 4 maart 2010 heeft appellante verzocht om heropening van de AAW-uitkering. Ter
onderbouwing van haar verzoek om terug te komen van het intrekkingsbesluit uit 1996 heeft appellante aangevoerd dat zij de uitkering in 1996 heeft beëindigd, omdat zij een belang wilde krijgen in de onderneming van haar vader. Dit is echter niet gelukt.
1.3. Bij besluit van 25 oktober 2010 heeft het Uwv geweigerd de uitkering met
terugwerkende kracht te heropenen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 19 januari 2011 ongegrond verklaard.
2.
In beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat geen wettelijke bepaling in de weg staat aan heropening van haar AAW-uitkering per 27 september 1996. Daarnaast heeft zij gesteld dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid binnen 5 jaar na 27 september 1996 substantieel is toegenomen.
3.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 januari 2011 (bestreden besluit ) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat, voorzover het verzoek van appellante om een arbeidsongeschiktheidsuitkering een verzoek is om hervatting van haar AAW-uitkering per 27 september 1996, dit moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het eerdere beëindigingsbesluit. De rechtbank heeft verwezen naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en heeft overwogen dat sprake dient te zijn van nieuwe feiten en/of omstandigheden. Die zijn de rechtbank niet gebleken. Ten aanzien van het verzoek om hervatting van de uitkering per latere datum heeft de rechtbank overwogen dat de AAW is ingetrokken per 1 januari 1998 en dat appellante niet valt onder het overgangsrecht. Voor zover het verzoek van appellante ziet op andere arbeidsongeschiktheidswetten, is niet gebleken dat appellante na 27 september 1996 nog verzekerde inkomsten heeft gehad. Appellante was niet verzekerd op grond van enige arbeidsongeschiktheidswet. De stelling van appellante dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid kan hier niet aan afdoen.
4.
In hoger beroep heeft appellante haar in beroep aangevoerde gronden herhaald.
5.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden die in beroep zijn ingediend en in hoger beroep zijn herhaald afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen het het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank.
6.
Het hoger beroep treft derhalve geen doel en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7.
Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) G.J. van Gendt

CVG