ECLI:NL:CRVB:2013:2050

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 oktober 2013
Publicatiedatum
15 oktober 2013
Zaaknummer
12-3744 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18, tweede lid, WWB
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens niet melden geldstortingen van moeder

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande sinds november 2010. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verlaagde haar bijstand met €200 gedurende één maand omdat zij geen melding had gemaakt van meerdere geldstortingen van haar moeder op haar bankrekening in december 2010, februari 2011 en april 2011.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze verlaging ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij had voldaan aan haar inlichtingenverplichting omdat zij bij de aanvraag van de bijstand had gemeld dat zij af en toe geld van haar moeder ontving. Zij voerde aan dat het niet melden van de concrete stortingen haar niet kon worden verweten.

De Raad oordeelde dat de geldstortingen als inkomsten moesten worden gemeld omdat ze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het enkele feit dat appellante bij de aanvraag had aangegeven soms geld te ontvangen, ontslaat haar niet van de plicht om de concrete stortingen te melden. Het college was daarom gerechtigd de bijstand te verlagen conform de Afstemmingsverordening Inkomensvoorzieningen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand bevestigd.

Uitspraak

12/3744 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
24 mei 2012, 11/5771 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te[woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. Snoeij, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2013. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 9 november 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Bij besluit van 24 juni 2011 heeft het college de bijstand van appellante gedurende één maand met € 200,- verlaagd op de grond dat zij geen melding heeft gemaakt van geldstortingen op haar bankrekening, ontvangen van haar moeder, in de maanden december 2010, februari 2011 en april 2011.
1.3.
Bij besluit van 26 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2011 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting aangezien zij bij aanvang van haar uitkering heeft gemeld dat zij af en toe geld van haar moeder ontving. Appellante stelt dat het niet melden van de geldstortingen van 15 december 2010, 7 februari 2011, 5 april 2011 en
7 april 2011 haar niet kan worden verweten.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de in geding zijnde geldstortingen vanuit de WWB worden gezien als inkomsten die gemeld moeten worden omdat ze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
4.2.
De beroepsgrond dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet heeft geschonden slaagt niet. Vaststaat dat appellante geen melding heeft gemaakt van de in geding zijnde geldstortingen. Dat appellante bij haar aanvraag om bijstand op 9 november 2010 op het daartoe strekkende formulier onder het kopje “Uw inkomsten” heeft aangegeven dat zij soms (af en toe) geld van haar ouders ontvangt, neemt niet weg dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij melding moet maken van de concrete stortingen op haar bankrekening door haar ouders.
4.3.
Gelet op wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen, kan van het niet melden van de in geding zijnde geldstortingen niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid van de kant van appellante ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellante overeenkomstig de Afstemmingsverordening Inkomensvoorzieningen te verlagen. Tegen de hoogte van de opgelegde verlaging heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
4.4.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) V.C. Hartkamp

HD