ECLI:NL:CRVB:2013:2050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet melden geldstortingen van moeder
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande sinds november 2010. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verlaagde haar bijstand met €200 gedurende één maand omdat zij geen melding had gemaakt van meerdere geldstortingen van haar moeder op haar bankrekening in december 2010, februari 2011 en april 2011.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze verlaging ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij had voldaan aan haar inlichtingenverplichting omdat zij bij de aanvraag van de bijstand had gemeld dat zij af en toe geld van haar moeder ontving. Zij voerde aan dat het niet melden van de concrete stortingen haar niet kon worden verweten.
De Raad oordeelde dat de geldstortingen als inkomsten moesten worden gemeld omdat ze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het enkele feit dat appellante bij de aanvraag had aangegeven soms geld te ontvangen, ontslaat haar niet van de plicht om de concrete stortingen te melden. Het college was daarom gerechtigd de bijstand te verlagen conform de Afstemmingsverordening Inkomensvoorzieningen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand bevestigd.