ECLI:NL:CRVB:2013:2036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten naar voedselbank
Appellante ontvangt sinds 2001 bijstand en had deze vanaf november 2006 tot april 2007 onterecht niet ontvangen vanwege een vermeende gezamenlijke huishouding. Na herroeping van dit besluit werd de bijstand nabetalen toegekend. Appellante verzocht vergoeding van reiskosten voor bezoeken aan voedselbanken in Duitsland over een periode van drie jaar.
Het college kende bijzondere bijstand toe voor de periode dat appellante geen bijstand ontving, maar wees latere kosten af. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante voerde aan dat zij ook na april 2007 aangewezen was op de voedselbank vanwege schulden en dat de Duitse voedselbanken adequater waren.
De Raad oordeelde dat vanaf april 2007 bijstand werd ontvangen waarmee in het levensonderhoud kon worden voorzien, zodat geen noodzaak meer bestond voor voedselbankbezoek. Schulden vormden geen bijzondere omstandigheid die dit oordeel wijzigde. Ook was de voedselbank in Roermond de goedkoopste en meest adequate voorziening; appellante kon objectief gezien gebruik maken van deze voorziening.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor reiskosten naar voedselbanken buiten Roermond.