ECLI:NL:CRVB:2013:1968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken materieel procesbelang bij opleggen maatregel WWB
Appellante ontvangt sinds maart 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en is sinds december 2009 weer actief als zangeres. Het college van burgemeester en wethouders van Goes gaf haar op 2 december 2010 een waarschuwing omdat zij niet had gemeld dat zij een cadeaubon van €50 had ontvangen voor haar optredens. Vervolgens legde het college bij besluit van 28 april 2011 alsnog een maatregel op, die appellante betwistte.
De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit omdat het college appellante door het opleggen van de maatregel in een nadeliger positie bracht dan bij de oorspronkelijke waarschuwing, wat in strijd is met het verbod van reformatio in peius. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de waarschuwing ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij haar inlichtingenverplichting niet had geschonden omdat haar optredens niet als op geld waardeerbare activiteiten kunnen worden beschouwd. De Raad beoordeelde ambtshalve of appellante voldoende procesbelang had en concludeerde dat dit niet het geval was, omdat de waarschuwing geen rechtsgevolg had en appellante daardoor geen materieel belang had bij de beoordeling van het opleggen van een maatregel.
Appellante stelde dat zij principieel belang had om vrij te kunnen optreden zonder opgave te doen, maar de Raad oordeelde dat een louter principieel belang onvoldoende is voor ontvankelijkheid. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van materieel procesbelang.