ECLI:NL:CRVB:2013:1889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand sinds 1994 en stond ingeschreven op een adres te [woonplaats]. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de sociale recherche een onderzoek naar haar woonsituatie. Tijdens een onaangekondigd huisbezoek op 16 december 2010 werden verklaringen van appellante en een man, [D.], opgenomen, waaruit bleek dat zij een gezamenlijke huishouding voerden.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand per 16 december 2010 in, vorderde de bijstand over de periode van 1 maart tot 15 december 2010 terug en legde een maatregel op wegens het niet melden van de gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante en [D.] en de bevindingen van de huisbezoeken een toereikende feitelijke grondslag vormden. Het lage waterverbruik op het adres van [D.] en het ontbreken van etenswaren bevestigden dat hij zijn hoofdverblijf niet daar had. De wederzijdse zorg en bijdrage aan de huishouding werden eveneens vastgesteld. Appellante maakte geen aannemelijk dat bijzondere omstandigheden een uitzondering op deze verklaringen rechtvaardigden.
Daarmee was sprake van een gezamenlijke huishouding die niet was gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht opleverde. Het hoger beroep werd afgewezen en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding wordt bevestigd.