ECLI:NL:CRVB:2013:1793

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 september 2013
Publicatiedatum
18 september 2013
Zaaknummer
13-3726 WMO-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:108 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening vervoersvoorziening Wmo

Verzoekster heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw een aanvraag ingediend voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag bij besluit van 17 november 2011 af. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde het bezwaar bij besluit van 4 juni 2012 ongegrond. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het college ter zitting voldoende inzicht had gegeven.

Tegen deze uitspraak stelde verzoekster hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. Zij stelde een spoedeisend belang bij de toekenning van de vervoersvoorziening vanwege een verslechterende gezondheidstoestand. De voorzieningenrechter overwoog dat de mogelijkheid tot het treffen van een voorlopige voorziening niet bedoeld is om de bodemprocedure te kortsluiten.

De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster geen concrete medische gegevens had overgelegd die het acute karakter van haar situatie aannemelijk maken. Hierdoor was geen sprake van een zodanig zwaarwegend belang dat de behandeling van het hoger beroep niet kon worden afgewacht. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een vervoersvoorziening op grond van de Wmo wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

13/3726 WMO-VV
Datum uitspraak: 11 september 2013
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw (college)
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 4 juni 2013,
nr. AWB 12/1047 (aangevallen uitspraak).
Namens verzoekster heeft mr. Schyns tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 17 november 2011 heeft het college de aanvraag van verzoekster om in aanmerking te worden gebracht voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
1.2. Bij besluit van 4 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht - het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat daarin naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarop de afwijzing van de gevraagde vervoersvoorziening is gebaseerd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten omdat de gemachtigden van het college ter zitting dat inzicht wel hebben kunnen verschaffen en de ter zitting gegeven motivering de afwijzing voldoende kan dragen.
3.
Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, stellende dat zij een spoedeisend belang heeft bij de toekenning van een vervoersvoorziening omdat haar gezondheidstoestand steeds verder achteruitgaat.
4. Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
4.1.
Gelet op artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer zijn uitspraak van 2 december 2003 (LJN AO0764), de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.
4.3. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd levert geen grond op om te oordelen dat er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. In dit verband laat de voorzieningenrechter in het bijzonder wegen dat het nu juist de ernst en de objectiveerbaarheid van verzoeksters aandoening(en) en de mogelijkerwijze antirevaliderende werking van het toewijzen van voorzieningen in geding zijn. Concrete medische gegevens die het gestelde acute karakter van verzoeksters situatie aannemelijk maken of althans kunnen dienen als een begin van bewijs dat het voor verzoekster medisch niet verantwoord is de bodemprocedure af te wachten, bevinden zich niet in het dossier. De door verzoekster aangevoerde omstandigheid vormt daarom geen zodanig zwaarwegend belang dat de behandeling van het hoger beroep in de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.
4.4.
Het verzoek is gelet op het hiervoor overwogene kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.
5.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) Z. Karekezi

EH