Appellant, woonachtig in Frankrijk en sinds 2003 AOW-uitkeringsgerechtigde, was vanaf 2006 verplicht een buitenlandbijdrage te betalen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Hij stelde dat hij onterecht deze bijdrage moest betalen over de periode waarin hij nog een particuliere Nederlandse verzekering had, omdat het College van Zorgverzekeringen (Cvz) hem niet tijdig had geïnformeerd over de wetswijzigingen.
De rechtbank oordeelde dat de vordering van appellant niet betrekking had op een onrechtmatig bestuursbesluit, maar op een vermeend onrechtmatig feitelijk handelen van Cvz, namelijk de late verzending van informatie. Dit valt niet onder de bestuursrechter maar onder de burgerlijk rechter. De rechtbank verwierp het beroep tegen de hoogte van de buitenlandbijdrage omdat deze wettelijk dwingendrechtelijk is vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde dat de schade niet bestuursrechtelijk kan worden verhaald. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.