ECLI:NL:CRVB:2013:1759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voorlopige vaststelling buitenlandbijdrage Zvw 2008
Appellant, woonachtig in Duitsland en ontvanger van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en aanvullend pensioen, was op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) verplicht een buitenlandbijdrage te betalen voor medische kosten. Cvz stelde in 2011 de voorlopige buitenlandbijdrage over 2008 vast op € 2.917,13 en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing en voerde aan dat inhoudingen en afdrachten buiten zijn medeweten hadden moeten plaatsvinden.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep zich uitsluitend richtte op de voorlopige buitenlandbijdrage 2008 en bevestigde dat Cvz geen onjuiste gegevens had gebruikt bij de vaststelling. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd opgemerkt dat appellant een betalingsregeling kon treffen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de voorlopige buitenlandbijdrage Zvw 2008 terecht is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.