ECLI:NL:CRVB:2013:1759

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 september 2013
Publicatiedatum
13 september 2013
Zaaknummer
12-474 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ZvwVerordening (EEG) nr. 1408/71
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voorlopige vaststelling buitenlandbijdrage Zvw 2008

Appellant, woonachtig in Duitsland en ontvanger van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en aanvullend pensioen, was op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) verplicht een buitenlandbijdrage te betalen voor medische kosten. Cvz stelde in 2011 de voorlopige buitenlandbijdrage over 2008 vast op € 2.917,13 en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond.

De rechtbank vernietigde het besluit wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing en voerde aan dat inhoudingen en afdrachten buiten zijn medeweten hadden moeten plaatsvinden.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep zich uitsluitend richtte op de voorlopige buitenlandbijdrage 2008 en bevestigde dat Cvz geen onjuiste gegevens had gebruikt bij de vaststelling. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd opgemerkt dat appellant een betalingsregeling kon treffen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de voorlopige buitenlandbijdrage Zvw 2008 terecht is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/474 ZVW, 12/475 ZVW
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
20 december 2011, 11/2962 en 11/2963 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te Duitsland (appellant)
het College voor Zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Cvz heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2012. Appellant is niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Siemeling.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren [in] 1946, woont in Duitsland. Hij ontvangt sinds 1 juli 1987 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Daarnaast ontvangt hij een aanvullend pensioen van de Stichting Beheer Personeelsvoorzieningen Owase (Stichting BPO).
1.2.
Met ingang van 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet (Zvw) in werking getreden. Ingevolge de Zvw is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde in de zin van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 aangemerkt, zodat hij recht heeft op vergoeding van zijn medische kosten ten laste van Nederland. Voor dit recht is appellant ingevolge artikel 69 van Pro de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage) aan Cvz.
1.3.
Bij besluit van 22 juli 2010 heeft Cvz aan appellant de definitieve jaarafrekening over het zorgjaar 2006 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage is vastgesteld op een bedrag van
€ 3.777,17.
1.4.
Bij besluit van 24 mei 2011 (bestreden besluit 1) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 juli 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet verschoonbaar overschrijden van de wettelijke bezwaartermijn.
1.5.
Bij besluit van 26 februari 2011 heeft Cvz de voorlopige bijdrage Zvw voor het jaar 2008 vastgesteld op € 2.917,13.
1.6.
Bij besluit van 24 mei 2011 (bestreden besluit 2) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 februari 2011 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de geconstateerde termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht.
De rechtbank heeft bestreden besluit 2 wegens schending van de hoorplicht vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 in stand zijn gelaten. Hij heeft in dit verband naar voren gebracht dat de wijze waarop inhoudingen, afdrachten en teruggaven door zowel de Belastingdienst als inhoudingsplichtigen volledig buiten hem om hadden moeten plaatsvinden.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant alleen betrekking heeft op de voorlopige vaststelling van de buitenlandbijdrage op grond van de Zvw over het jaar 2008. De omvang van het geding is derhalve beperkt tot de vraag of Cvz over het jaar 2008 terecht de buitenlandbijdrage van appellant (voorlopig) heeft vastgesteld op € 2.917,13. De Raad is van oordeel dat de rechtbank in beroep terecht de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 in stand heeft gelaten. De Raad onderschrijft de aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen. Daaraan voegt de Raad nog toe dat hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht niet tot de conclusie kan leiden dat Cvz bij de vaststelling van de voorlopige buitenlandbijdrage over 2008 is uitgegaan van onjuiste gegevens.
4.2.
De gemachtigde van Cvz heeft ter zitting van de Raad medegedeeld dat appellant de mogelijkheid heeft een betalingsregeling te treffen ten aanzien van de betaling van de (voorlopige) buitenlandbijdrage over 2008.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) R.L. Rijnen
GdJ