ECLI:NL:CRVB:2013:1726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante, sinds 1994 WAO-uitkeringsgerechtigde, was van maart tot september 2009 werkzaam als administratief medewerkster. Op 18 juli 2011 meldde zij zich ziek wegens toegenomen psychische en lichamelijke klachten. Het UWV besloot per 5 oktober 2011 het ziekengeld stop te zetten, wat bij bezwaar werd bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de conclusie kon dragen.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij door lichamelijke en psychische klachten niet in staat was haar administratieve werkzaamheden te verrichten, met name door onderschatting van de mentale belasting en handklachten. De Raad oordeelde dat de juiste maatstaf van arbeid was gehanteerd, namelijk de laatst verrichte arbeid als administratief medewerkster. Het medisch onderzoek door het UWV was zorgvuldig, inclusief informatie van huisarts en neuroloog.
De door appellante overgelegde informatie van een revalidatiearts over pijnklachten was onvoldoende om twijfel te zaaien over het UWV-oordeel, mede omdat deze informatie niet betrekking had op de gezondheidstoestand rond de beslissingsdatum. Er was geen aanleiding tot benoeming van een deskundige. Het hoger beroep faalde en de eerdere uitspraak werd bevestigd. Verzoek tot schadevergoeding en proceskostenveroordeling werden afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen wordt bevestigd.