ECLI:NL:CRVB:2013:1725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid UWV tot inhouding vakantiegeld binnen betalingsregeling
Appellante was verplicht een bedrag van €52.195,37 terug te betalen aan het UWV in maandelijkse termijnen van €56,56, waarbij het UWV ook bevoegd was vakantiegeld in te houden. Hoewel appellante betoogde dat vakantiegeld buiten de betalingsregeling viel en dat het UWV onrechtmatig beslag had gelegd, oordeelde de rechtbank dat het UWV bevoegd was het extra inkomen uit vakantiegeld te verrekenen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad stelde vast dat de betalingsregeling uitdrukkelijk vermeldde dat het UWV vakantiegeld mocht inhouden en dat de beslagvrije voet werd gerespecteerd. De toename van het inkomen door vakantiegeld maakte het UWV bevoegd om dat extra inkomen op te eisen.
Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door B.M. van Dun op 11 september 2013.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV bevoegd was vakantiegeld in te houden binnen de betalingsregeling.