ECLI:NL:CRVB:2013:1720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid na ziekte
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij vanaf 23 september 2011 geschikt was voor ten minste één van de functies die haar waren voorgehouden in het kader van de Wet WIA. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, omdat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd en er geen aanleiding was om te twijfelen aan de conclusie dat zij geschikt was voor de functie van productiemedewerker industrie.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar klachten, zoals pijn aan de schouders, eczeem, fibromyalgie, beginnende COPD en oogproblemen, onvoldoende zijn meegewogen en dat haar brieven niet goed zijn gelezen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV voldoende medische informatie heeft opgevraagd en meegewogen, waaronder gegevens van huisarts en behandelaars, en dat appellante geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd die haar standpunt ondersteunt.
Daarom kan de hersteldverklaring gehandhaafd blijven en is de beëindiging van de ZW-uitkering terecht. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij vanaf 23 september 2011 geschikt was voor ten minste één functie.