ECLI:NL:CRVB:2013:1718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzondere omstandigheden bij toekenning WW-uitkering na late aanvraag
Appellant werd op 1 juni 2010 werkloos en diende meerdere aanvragen in voor een WW-uitkering. Twee eerdere aanvragen werden buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van benodigde stukken. Op 20 september 2011 diende appellant een nieuwe aanvraag in, die het UWV afwees omdat deze niet binnen 26 weken na werkloosheid was ingediend.
Het UWV verklaarde het bezwaar van appellant deels gegrond en kende de WW-uitkering toe met toepassing van artikel 35 van Pro de WW, waardoor de uitkering niet wordt betaald over perioden langer dan 26 weken voorafgaand aan de aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat hij door het ontslag na een lang dienstverband emotioneel van slag was en daardoor niet tijdig de aanvraag kon indienen. Het UWV verwees naar een telefoongesprek waarin werd afgesproken dat appellant een nieuwe aanvraag zou indienen, maar dat hij bijna een jaar wachtte met indienen.
De Raad oordeelde dat appellant niet overtuigend had aangetoond dat hij niet in staat was om tijdig een aanvraag in te dienen en bevestigde dat geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35 WW Pro aanwezig waren. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om af te wijken van de termijnregeling, waardoor de WW-uitkering niet wordt uitbetaald over perioden langer dan 26 weken voorafgaand aan de aanvraag.