ECLI:NL:CRVB:2013:1694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- R.E. Bakker
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Wajong-uitkering wegens verblijf buiten Nederland zonder zwaarwegende redenen
Appellante ontving sinds 1999 een Wajong-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat zij het UWV informeerde over haar voorgenomen verhuizing naar Marokko, besloot het UWV haar uitkering te beëindigen per de maand volgend op haar vertrek uit Nederland. Appellante voerde medische redenen aan, waaronder een psychische stoornis en allergieën, en stelde dat het verblijf in Marokko haar klachten zou verminderen.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het besluit niet zorgvuldig was genomen, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. In hoger beroep stond centraal of de hardheidsclausule toegepast had moeten worden omdat beëindiging van de uitkering tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. Volgens de wet en de beleidsregels van het UWV geldt een exportverbod op Wajong-uitkeringen, waarbij uitzonderingen slechts in zeer beperkte gevallen mogelijk zijn.
De Raad concludeerde dat de door appellante aangevoerde omstandigheden niet voldeden aan de criteria voor zwaarwegende redenen zoals medische behandeling, arbeid met re-integratieperspectief of het volgen van verzorgers. De vermeende verbetering van klachten in Marokko kon niet objectief worden vastgesteld en was niet dwingend van aard. De hardheidsclausule was daarom niet van toepassing en de beëindiging van de uitkering was terecht.
Uitkomst: De Wajong-uitkering van appellante wordt beëindigd vanwege haar verblijf in Marokko zonder zwaarwegende redenen voor behoud.