ECLI:NL:CRVB:2013:1654

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 september 2013
Publicatiedatum
4 september 2013
Zaaknummer
12-4829 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens herstel arbeidsgeschiktheid

Appellante was aanvankelijk uitgevallen voor haar werk als caissière vanwege psychische klachten en ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Na een periode van herstel werkte zij als schoonmaakster, maar meldde zich ziek vanwege toegenomen psychische klachten, waarna zij een Ziektewet-uitkering ontving.

Het UWV beëindigde de Ziektewet-uitkering op basis van een verzekeringsarts die oordeelde dat appellante haar werkzaamheden als schoonmaakster weer kon verrichten. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.

In hoger beroep betoogde appellante dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat de bevindingen van PsyQ een andere belastbaarheid aangaven. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig en inzichtelijk was uitgevoerd en dat de PsyQ-rapporten onvoldoende gemotiveerd waren om het eerdere oordeel te weerleggen.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij ook werd overwogen dat het werken nabij een mortuarium, wat appellante belastend vond, buiten beschouwing mocht worden gelaten. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering wegens herstel van arbeidsgeschiktheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/4829 ZW
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 juli 2012, 11/4033 ZW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. de Vries, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Namens appellante is verschenen mr. M. Akça-Altun, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als caissière voor 32 uur per week toen zij op 12 september 2001 vanwege psychische klachten voor dat werk is uitgevallen. Per einde wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend. Na een herkeuring is deze uitkering met ingang van 4 augustus 2005 ingetrokken.
1.2. Sinds 12 februari 2009 is appellante werkzaam geweest als schoonmaakster voor 10 uur per week. Met ingang van 29 december 2009 heeft zij zich voor deze werkzaamheden ziek gemeld vanwege toegenomen psychische klachten. Naar aanleiding hiervan is haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.3. In het kader van een beoordeling op grond van de ZW heeft appellante op 20 mei 2011 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze heeft appellante met ingang van 3 juni 2011 weer in staat geacht om haar arbeid van schoonmaakster te verrichten. Op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 7 juni 2011 de
ZW-uitkering van appellante met ingang van 3 juni 2011 beëindigd.
1.4. Bij besluit van 18 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit tot beëindiging van haar ziekengeld per 3 juni 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 8 juli 2011 ten grondslag gelegd.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat de (bezwaar)verzekeringsarts inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellante per 3 juni 2011 geschikt is om haar eigen arbeid te verrichten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de bevindingen van de verzekeringsartsen worden bevestigd door het onderzoek van de afdeling psychiatrie van het TweeSteden Ziekenhuis. Aan het gegeven dat PsyQ in de brief van 24 oktober 2011 tot een beduidend lagere
GAF-score komt dan de psychiater en de verzekeringsartsen, heeft de rechtbank niet dat gewicht toegekend dat appellante daaraan gehecht wenst te zien. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de conclusie van PsyQ, mede in het licht van de overige onderzoeken, onvoldoende is gemotiveerd.
3.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de door haar ingebrachte stukken van PsyQ blijk geven van een andere inschatting van de belastbaarheid van appellante dan de belastbaarheid zoals die is vastgesteld door de (bezwaar)verzekeringsarts. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte de conclusie van het TweeSteden Ziekenhuis in de overwegingen meegenomen terwijl dit slechts een intake-gesprek betrof in plaats van een grondig psychologisch onderzoek.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar onderdeel 4 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft, onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan de ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. Mitsdien is bij de beoordeling van de ongeschiktheid tot werken terecht het werken in de nabijheid van een mortuarium, dat door appellante als zeer belastend werd ervaren, buiten beschouwing gelaten.
4.2.
Het geschil in hoger beroep concentreert zich op de psychische klachten van appellante ten tijde in geding. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek waarover inzichtelijk is gerapporteerd.
4.3.
De in hoger beroep overgelegde informatie van PsyQ van 11 juli 2013 bevat als zodanig geen nieuwe gezichtspunten ten opzichte van de in beroep overgelegde brief van PsyQ van
24 oktober 2011. Er is geen aanleiding te twijfelen aan het eerder door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt dat de conclusie van PsyQ niet is onderbouwd met een beschrijving van de psyche of met een psychiatrisch onderzoek en evenmin met overwegingen die tot deze conclusie hebben geleid.
4.4.
Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en R.E. Bakker en
M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) I.J. Penning

EH