ECLI:NL:CRVB:2013:1420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing werkleeraanbod en inkomensvoorziening op grond van WIJ wegens ontbrekende Nederlandse nationaliteit
Appellant, geboren in 1987 en houder van de Angolese nationaliteit, diende op 23 februari 2011 een aanvraag in voor een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Het college wees deze aanvraag op 3 maart 2011 af omdat appellant niet de Nederlandse nationaliteit heeft en niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, waardoor hij geen recht heeft op de WIJ.
Het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing werd bij besluit van 20 juli 2011 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond en verwierp zijn beroep op artikel 8 EVRM Pro, waarin hij stelde dat het begrip “family life” ook het onderhouden van contacten met zijn kinderen omvat, waarvoor hij financiële middelen nodig heeft.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zonder inkomensvoorziening hij zijn gehuurde kamer moet verlaten en daardoor geen contact meer kan onderhouden met zijn kinderen. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant tijdens de relevante periode geen vreemdeling is in de zin van artikel 2 van Pro de WIJ en daarom geen rechten aan deze wet kan ontlenen. Ook de mogelijkheid van bijstand op grond van de WWB is uitgesloten. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
De Raad nam mee dat een verblijfsvergunning die appellant later verkreeg geen betekenis heeft voor de te beoordelen periode. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een werkleeraanbod en inkomensvoorziening op grond van de WIJ wordt afgewezen vanwege het ontbreken van de Nederlandse nationaliteit.