ECLI:NL:CRVB:2013:1399

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 augustus 2013
Publicatiedatum
13 augustus 2013
Zaaknummer
12-3386 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWBArt. 31 WWBArt. 34 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten woninginrichting wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellante keerde in juli 2010 terug naar haar woning na verblijf in Engeland en vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van woninginrichting. Het college wees de aanvraag af omdat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die uit het inkomen moeten worden betaald, en er geen bijzondere omstandigheden waren om hiervan af te wijken. Bovendien waren de goederen waarvoor bijstand werd gevraagd al aangeschaft vóór de aanvraag.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij zij het standpunt van het college volgde dat geen bijzondere individuele omstandigheden aanwezig waren en de kosten zich ten tijde van de aanvraag niet voordeden. Appellante stelde in hoger beroep dat zij een lening van een vriendin had gekregen om de inrichting te financieren, maar kon het bestaan van een terugbetalingsverplichting niet aannemelijk maken.

De Raad oordeelde dat woninginrichtingskosten in principe uit het inkomen moeten worden betaald, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Aangezien appellante niet aannemelijk maakte dat er sprake was van een terugbetalingsverplichting voor de lening, en de kosten al gemaakt waren voor de aanvraag, was de afwijzing terecht. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt bevestigd wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden en het niet aannemelijk maken van een terugbetalingsverplichting.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/3386 WWB
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [woonplaats]van
10 mei 2012, 11/2332 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats](appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. I. Plaisier.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is in 2007 vanuit haar woning in [woonplaats]naar Engeland vertrokken. Zij heeft haar woning aangehouden en deze in gebruik gegeven aan een ander. Appellante heeft haar huisraad destijds weggedaan. In juli 2010 is appellante teruggekeerd in haar woning.
1.2.
Bij besluit van 10 februari 2011 heeft het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de kosten van inrichting van haar woning afgewezen. Aan de afwijzing ligt ten grondslag - samengevat - dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft gevraagd behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, dat deze kosten moeten worden betaald uit het inkomen, dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van deze regel af te wijken en dat bovendien bij de aanvraag is aangegeven dat de goederen waarvoor bijstand is aangevraagd reeds zijn gekocht.
1.3.
Bij besluit van 17 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2011 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het college gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten en voorts overwogen dat de kosten zich bovendien ten tijde van de aanvraag niet voordeden omdat daarin al was voorzien.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij vanwege haar terugkeer uit Engeland niet beschikte over middelen om de kosten van de inrichting van haar woning te financieren en dat zij daarom van een vriendin geld heeft geleend om de benodigde spullen aan te schaffen. Die vriendin wil haar geld terug.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak, zoals genoemd in de aangevallen uitspraak, worden kosten van woninginrichting gerekend tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten moeten in beginsel worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering vooraf, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke verlening van bijstand is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.3.
De rechtbank heeft het college terecht, op de in 4.3 van de aangevallen uitspraak opgenomen gronden, gevolgd in zijn standpunt dat van bijzondere individuele omstandigheden geen sprake is.
4.4.
Verder is niet in geschil dat appellante de kosten heeft gemaakt voordat zij de aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend. Ook hierin is een grond gelegen voor afwijzing van de aanvraag. Ter zitting van de Raad is gebleken dat het college dit aan een betrokkene niet tegenwerpt in het geval sprake is van financiering van de kosten met een lening van een familielid en het bestaan van deze lening en van een terugbetalingsverplichting wordt aangetoond. In dit geval zou sprake zijn van verstrekking van een lening door een vriendin. Het bestaan van de lening, met een daaraan verbonden terugbetalingsverplichting, is echter niet aannemelijk gemaakt. Dat laatste lag wel op de weg van appellante. De beroepsgrond dat de rechtbank hiernaar ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan treft daarom geen doel.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen, zodat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2013.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) V.C. Hartkamp

HD