ECLI:NL:CRVB:2013:1337
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ZW-uitkering wegens gebrek aan arbeidsongeschiktheid na 23 augustus 2008
Appellante, laatst werkzaam als visfileerster, meldde zich op 4 augustus 2008 ziek vanuit Turkije met klachten waaronder rugpijn en galstenen. Het UWV bevestigde de ziekmelding en startte contact. Op 3 augustus 2009 meldde zij zich opnieuw ziek, met de mededeling al een jaar ziek te zijn. Een verzekeringsarts concludeerde op 25 september 2009 dat appellante geschikt was voor arbeid, waarna het UWV de ZW-uitkering beëindigde.
Appellante betwistte dit en overhandigde een verklaring van een Turkse arts waaruit bleek dat zij op 23 augustus 2008 weer kon werken. Het UWV erkende arbeidsongeschiktheid tot die datum, maar niet daarna. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek niet onzorgvuldig was en de beoordeling juist.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig was, omdat zij niet was opgeroepen voor een verzekeringsgeneeskundig onderzoek na haar eerste ziekmelding. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, de bezwaarverzekeringsarts het dossier grondig had bestudeerd en appellante had gehoord. De verklaring van de Turkse arts werd meegewogen, maar er was geen medische informatie die arbeidsongeschiktheid na 23 augustus 2008 aantoonde.
De Raad kende het intakeverslag van GGZ-compleet uit 2012 geen gewicht toe omdat dit niet relevant was voor de periode in geschil. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de ZW-uitkering na 23 augustus 2008 bevestigd.