ECLI:NL:CRVB:2013:1327

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 augustus 2013
Publicatiedatum
7 augustus 2013
Zaaknummer
11-6964 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ZvwVerordening (EEG) nr. 1408/71
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buitenlandbijdrage zorgverzekeringswet voor verdragsgerechtigde in België over 2006

Appellante, woonachtig in België en gerechtigd tot een pensioen op grond van de AOW en een pensioenfonds, was in 2006 door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) als verdragsgerechtigde aangemerkt. Dit gaf haar recht op zorg in België ten laste van Nederland, waarvoor zij volgens artikel 69 van Pro de Zorgverzekeringswet (Zvw) een buitenlandbijdrage moest betalen.

Cvz had de buitenlandbijdrage over 2006 vastgesteld en het bezwaar van appellante tegen deze vaststelling ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam had dit besluit bevestigd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat Cvz tekort was geschoten in zijn informatieplicht en dat de Belgische Mutualiteit haar onjuist had geïnformeerd, en stelde dat Cvz had toegezegd geen buitenlandbijdrage vast te stellen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellante bijdrageplichtig was. Het artikel 69 Zvw Pro laat geen ruimte om af te zien van de buitenlandbijdrage, ook niet vanwege de door appellante aangevoerde omstandigheden. Er was geen sprake van toezeggingen van Cvz om af te zien van de bijdrage. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De buitenlandbijdrage over 2006 is terecht vastgesteld en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/6964 en 11/6965 ZVW
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
20 oktober 2011, 10/1782 en 10/4635 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (België) (appellante)
College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft haar zoon J.W.P.R. Tjeenk Willink hoger beroep ingesteld.
Cvz heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2013. Namens appellante is verschenen J.W.P.R. Tjeenk Willink. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante woont in België en ontvangt een pensioen op grond van de
Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten.
1.2.
Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellante door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft zij op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland (België), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69 van Pro de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage). Appellante heeft zich met ingang van
1 januari 2006 met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van haar woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat zij in België is ingeschreven.
1.3.
Bij besluit van 19 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 maart 2010 waarbij de buitenlandbijdrage 2006 definitief is vastgesteld op € 3.002,45 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Gelet op hetgeen ter zitting van de Raad is besproken is tussen partijen in geschil of appellante over 2006 bijdrageplichtig is.
4.2.
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat Cvz zich terecht en op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante in 2006 verdragsgerechtigd is, dat zij recht heeft op zorg in België, ten laste van Nederland en dat zij voor dit recht op zorg een buitenlandbijdrage verschuldigd is.
4.3.
Het imperatief gestelde in artikel 69 van Pro de Zvw laat Cvz geen ruimte om in verband met de door appellante aangevoerde omstandigheden dat Cvz tekort is geschoten in zijn informatieplicht en dat de Belgische Mutualiteit haar onjuist heeft geïnformeerd, af te zien van het opleggen van de buitenlandbijdrage. Van toezeggingen gedaan door Cvz dat in strijd met artikel 69 van Pro de Zvw niet tot vaststelling van de buitenland bijdrage wordt overgegaan is geen sprake. Overigens is appellante door Cvz bij brief van december 2005 geïnformeerd over de gevolgen van de per 1 januari 2006 inwerkingtredende Zvw.
4.4.
Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
5.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2013.
(getekend) J. Brand
(getekend) S. Aaliouli

EH