Uitspraak
OVERWEGINGEN
5 november 2004, LJN AR5967) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een zelfstandige in zijn bedrijf arbeid heeft verricht en daaruit inkomsten uit arbeid heeft verworven in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en gehonoreerde - keuze. Van die keuze kan slechts worden afgeweken wanneer sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen.