ECLI:NL:CRVB:2013:1200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant en S ontvingen bijstand, waarbij het college vermoedde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. Na onderzoek door de sociale recherche concludeerde het college dat sprake was van samenwoning en trok de bijstand van S in met terugvordering van de kosten, ook mede van appellant.
Appellant voerde aan dat er onvoldoende bewijs was voor samenwoning en dat er dringende redenen waren om terugvordering te vermijden, zoals zijn hoge leeftijd, slechte financiële situatie en ziekte. Hij stelde dat zij een latrelatie hadden en dat het college niet exact kon aangeven op welke dagen zij samen waren.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellant en S, ondersteund door getuigenverklaringen en onderzoeksbevindingen, voldoende bewijs vormen voor een gezamenlijke huishouding. Het feit dat zij wisselend in de woning van S en de stacaravan van appellant verbleven, voldoet aan het criterium van hoofdverblijf. Ook was sprake van wederzijdse zorg, zoals het betalen van boodschappen en het doen van de was.
De intentie om samen te wonen is niet relevant; het gaat om objectieve criteria. De door appellant aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn geen zwaarwegende reden om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding bevestigd.