ECLI:NL:CRVB:2013:1031

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2013
Publicatiedatum
17 juli 2013
Zaaknummer
11-7154 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWBArt. 31 WWBArt. 34 WWB
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor opslagkosten na verhuizing

Appellante diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand ter vergoeding van kosten verbonden aan het inzage nemen in en veilig stellen van goederen met emotionele waarde uit containers bij een opslagbedrijf. Deze opslag bevatte haar inboedel en die van haar overleden ouders. Het college wees de aanvraag af omdat vanaf de datum waarop appellante woonachtig werd op een nieuw adres geen noodzaak meer bestond de opslag voort te zetten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de opslagkosten vanaf de datum van verhuizing niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van Pro de WWB kunnen worden aangemerkt. De stelling dat de rechtbank het begrip noodzakelijke kosten te beperkt had uitgelegd, werd verworpen.

De Raad benadrukte dat de beoordeling van noodzakelijkheid en bijzondere omstandigheden centraal staat bij artikel 35 WWB Pro. Omdat de opslag niet langer noodzakelijk was, was er geen grond voor bijzondere bijstand. Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor opslagkosten wordt afgewezen omdat geen noodzaak meer bestond voor opslag vanaf de verhuisdatum.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/7154 WWB
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van
18 november 2011, 11/11 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2013. Voor appellant is mr. Van Dijk verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Berthoulet.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 28 juli 2010 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend welke door het college is opgevat als een aanvraag in verband met de kosten verbonden aan de inzage in en het veilig stellen van spullen (met emotionele waarde) uit een tiental containers bij een opslagbedrijf, waarin de inboedel van appellante en haar overleden ouders is opgeslagen. De kosten hiervan zijn geraamd op
€ 660,--.
1.2.
Bij besluit van 25 augustus 2010, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 23 november 2010 (bestreden besluit), is deze aanvraag afgewezen. Aan deze besluitvorming is onder meer ten grondslag gelegd dat er vanaf 12 maart 2008, de datum vanaf welke appellante in Heerlen woonachtig is op het adres [adres], geen noodzaak meer bestaat om de inboedel op te slaan, zodat de opslagkosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB moet eerst beoordeeld worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of die kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het college ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft.
4.3.
Vaststaat dat appellante haar woonboerderij in [M.] in 2006 heeft verkocht, dat zij nadien her en der heeft gewoond en dat zij haar inboedel bij een verhuisbedrijf heeft laten opslaan. Vanaf 12 maart 2008 is appellante woonachtig op het adres [adres] te Heerlen.
4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat vanaf 12 maart 2008, de datum waarop appellante woonachtig was op het adres [adres] te Heerlen, geen noodzaak meer bestond de opslag te continueren. De kosten die vanaf die datum uit de opslag voortvloeien, waaronder de kosten voor inzage in de containers en het veilig stellen van bepaalde goederen met voor appellante emotionele waarde, kunnen daarom niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van Pro de WWB worden aangemerkt. De beroepsgrond dat de rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het begrip noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35 van Pro de WWB omdat de goederen naar de mening van appellante noodzakelijk zijn los van de leefruimte, slaagt niet, reeds omdat het hier slechts gaat om de vraag of de opslag noodzakelijk is. Aan de vraag of sprake is van een aanvraag om bijzondere bijstand ter delging van een schuld wordt niet meer toegekomen.
4.5.
Uit 4.4 volgt dat het college de aanvraag van appellante terecht heeft afgewezen.
4.6.
Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd. Er is daarom geen grond voor een veroordeling tot vergoeding van schade.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2013.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) J.T.P. Pot

IJ