Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7574

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/4897 WMO + 12/4898 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:54 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak voorzieningenrechter wegens onbevoegdheid en oplegging termijn voor beslissing bezwaar Wmo en WWB

Appellante verzocht op 5 juli 2012 om opvang en leef- en reisgeld op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Breda wees dit verzoek bij besluit van 20 juli 2012 af. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg een voorlopige voorziening bij de rechtbank. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep constateert dat tijdens de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening geen beroep was ingesteld, waardoor de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet bevoegd was om in de hoofdzaak uitspraak te doen. Daarom vernietigt de Raad de uitspraak van de voorzieningenrechter voor zover aangevochten.

De Raad bepaalt dat het college binnen vier weken na ontvangst van deze uitspraak een beslissing moet nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 juli 2012. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en legt het college een termijn van vier weken op om te beslissen op het bezwaar van appellante.

Uitspraak

12/4897 WMO, 12/4898 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 31 juli 2012, 12/3450 en 12/3408 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (college) en de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (Commissie), gedaagden
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
OVERWEGINGEN
1. Appellante heeft op 5 juli 2012 gedaagden verzocht om opvang en om leef- en reisgeld op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of de Wet werk en bijstand (WWB).
2. Bij besluit van 20 juli 2012 hebben gedaagden het verzoek van appellante van 5 juli 2012 afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Het college heeft geen besluit genomen op het bezwaar van appellante.
3. De voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (voorzieningenrechter) heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 20 juli 2012 ongegrond verklaard.
4. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 20 juli 2012 ongegrond is verklaard.
5. De Raad stelt vast dat gedurende de behandeling van het onder 2 genoemde verzoek om voorlopige voorziening geen sprake was van een ingesteld beroep. Er bestond derhalve voor de voorzieningenrechter geen bevoegdheid om op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen in de hoofdzaak. De aangevallen uitspraak komt dan ook, voor zover aangevochten, wegens strijd met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking (zie ook de uitspraak van de Raad van 2 februari 2011, LJN BP4637). Gedaagden dienen nog op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 juli 2012 te beslissen.
6. Uit hetgeen onder 5 is overwogen volgt dat het hoger beroep kennelijk gegrond is, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna is aangegeven. Nu een beslissing op het bezwaar tot op heden is uitgebleven, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb daarvoor een termijn van vier weken bepalen.
7. De Raad ziet aanleiding gedaagden te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand. Deze kosten bestaan uit één punt voor het indienen van het hoger beroepschrift.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
-bepaalt dat gedaagden binnen vier weken na ontvangst van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 juli 2012;
-veroordeelt gedaagden in de kosten van appellante tot een bedrag van € 437,-;
-bepaalt dat gedaagden aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,- vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) M. Zwart
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
RB