ECLI:NL:CRVB:2012:BY6811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herhaalde aanvraag WW-uitkering na verlening verblijfsvergunning
Appellant had in 2002 een WW-uitkering aangevraagd die werd afgewezen wegens niet-rechtmatig verblijf. In 2010 kreeg hij een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht van 27 mei 2009 tot 27 mei 2011. Hij diende daarop opnieuw een WW-aanvraag in met terugwerkende kracht tot 2002, die het UWV afwees omdat de aanvraag niet binnen 26 weken was gedaan en omdat er geen nieuw feit of veranderde omstandigheid was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de verblijfsvergunning een nieuw feit was en dat het UWV zijn recht op WW-uitkering per 27 mei 2009 niet juist had beoordeeld. De Raad oordeelde dat de verblijfsvergunning geen nieuw feit is in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, omdat het niet ziet op het oorspronkelijke besluit uit 2002.
Verder stelde de Raad dat het UWV wel degelijk heeft beoordeeld of appellant per 27 mei 2009 aanspraak had op WW, en dat dit niet het geval was omdat appellant tussen 2002 en 2009 niet had gewerkt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat er geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De herhaalde aanvraag voor een WW-uitkering wordt afgewezen omdat de verleende verblijfsvergunning geen nieuw feit vormt.