ECLI:NL:CRVB:2012:BY6683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als lasser, viel op 30 november 2006 uit wegens nek- en hoofdpijnklachten na een auto-ongeval. Bij het einde van de wachttijd in november 2008 werd hem een WIA-uitkering geweigerd omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld en hij geschikt werd geacht voor passende arbeid volgens een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
In maart 2011 meldde appellant een toename van zijn arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigerde daarop een uitkering vanaf die datum, stellende dat geen sprake was van toegenomen beperkingen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de medische rapportages als zorgvuldig beoordeelde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat met name psychische klachten en flauwvallen een toename van zijn beperkingen vormden. Hij overlegde een psychologisch onderzoek. De Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was en dat de klachten als een andere ziekteoorzaak moesten worden gezien dan die waarop de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid was gebaseerd. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.